Verantwoording DierenwelzijnsCheck

Aan de DierenwelzijnsCheck ligt een uitgebreide methodiek ten grondslag. Van circa 200 producttypes vlees, vis, zuivel, eieren, vegetarische en veganistische producten werd het dierenwelzijn bepaald aan de hand van een groot aantal variabelen. Een producttype is bijvoorbeeld: “Kip, regulier”, “Varken, biologisch” en “Ei, scharrel”. Bij landbouwdieren gaat het onder andere om de volgende variabelen: leefoppervlakte, de mogelijkheid om naar buiten te kunnen en natuurlijk gedrag te vertonen, de slachtmethode, de duur van het transport, lichamelijke ingrepen zoals castreren, couperen en keizersneden. Tevens wordt gekeken naar signalen van slecht dierenwelzijn, zoals stereotiep en gefrustreerd gedrag en de aanwezigheid van ziektes. Bij vissen is het dierenwelzijn in kaart gebracht aan de hand van de leefomstandigheden, de vangst- en dodingsmethoden en de impact op de soort en de leefomgeving. Meer uitleg over deze variabelen is te vinden in de hoofdstukken “Dierenwelzijn van Landbouwdieren” en “Dierenwelzijn van vis, schaal- en schelpdieren”.

De DierenwelzijnsCheck borduurt voort op de eerder door Varkens in Nood ontwikkelde VleesWijzer en SuperWijzer, en heeft nu ook dierenwelzijnsindicatoren voor vis. De DierenwelzijnsCheck is een work in progress: suggesties, kritiek, op- en aanmerkingen zijn welkom. Mits goed onderbouwd zullen deze in behandeling genomen worden en eventueel leiden tot aanpassingen. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van horecagelegenheden langs de meetlat van de DierenwelzijnsCheck. Er is te allen tijde de bereidheid tot aanpassingen, mits hiertoe voldoende aanleiding bestaat.

In deze verantwoording is de methodiek beschreven die heeft geleid tot het vaststellen van de scores voor dierenwelzijn en van de beoordelingen van restaurants. De verantwoording is niet volledig. Aan de basis bevinden zich grote databestanden die zo uitgebreid zijn dat ze in deze verantwoording niet geheel opgenomen kunnen worden. Op verzoek is het in sommige gevallen mogelijk om op ons kantoor de gehele methodiek en achterliggende cijfers en bronnen in te kijken. Restaurants kunnen de details van hun beoordeling (dus de menukaart met de scores voor dierenwelzijn) opvragen.

Dierenwelzijn van landbouwdieren

Dwindex

In 2012 ontwikkelde Varkens in Nood SuperWijzer: een app waarmee consumenten in één oogopslag kunnen zien hoe dier- en milieuvriendelijk hun supermarktproducten zijn. Ten behoeve van deze app werd het welzijn van 41 verschillende producttypen in kaart gebracht. Een producttype is bijvoorbeeld: “Kip, Beter Leven keurmerk één ster”, “Kalf, biologisch”, “Weidemelk”, “Ei, vrije uitloop”. De 41 producttypen zijn vervolgens beoordeeld op een schaal van 1 tot 10 door een team deskundigen. Deze deskundigen waren dierenwelzijns-wetenschappers verbonden aan de WUR, het Louis Bolk instituut en CAH Dronten. Het onderzoek werd geleid door dr. F. de Jonge (onderzoeker bij de UU, VU en WUR) en kreeg de naam Dwindex (Dierenwelzijnsindex). Tijdens het onderzoek hadden de wetenschappers beschikking over achtergrondinformatie van 41 verschillende producttypen. Deze achtergrondinformatie (samengevat in een tabel) werd samengesteld door een dierkundig ingenieur en geverifieerd door de Dierenbescherming en de etholoog dr. De Jonge. Zie bijlage 1 voor aanvullende informatie over Dwindex.

DierenwelzijnsCheck

In 2017 en 2018 is Dwindex geactualiseerd ten behoeve van de DierenwelzijnsCheck voor de website van Varkens in Nood. Allereerst is er een inventarisatie gedaan onder supermarkten en restaurants om ervoor te zorgen dat de lijst met producttypen actueel is. Er zijn een aantal producttypen toegevoegd, zoals speciale runderrassen (bv. “Rund, Black Angus”) en nieuwe kipconcepten (bv. “Kip, Goed Nest”) en een aantal producttypen verwijderd omdat we deze niet meer in de supermarkt aantroffen (bv. “Varken, AH” en “Graskip”).

Voor nieuwe diercategorieën is achtergrondinformatie verzameld om een dierenwelzijnscijfer te kunnen toekennen. Dit was in de meeste gevallen redelijk eenvoudig omdat de leefomstandigheden grotendeels overeenkwamen met reeds beoordeelde diercategorieën. Van bestaande diercategorieën is de achtergrondinformatie geüpdatet en is het cijfer (wanneer nodig) naar beneden of naar boven bijgesteld. Sinds 2012 is het aantal melkkoeien met weidegang bijvoorbeeld verminderd, waardoor hun welzijn achteruit is gegaan. Het welzijn van vleeskippen met 1 of 2 sterren van het Beter Leven Keurmerk is daarentegen verbeterd omdat de criteria zijn aangescherpt. Het updaten van de achtergrondinformatie en de beoordeling zijn uitgevoerd door een dierenarts, een bioloog en een dierkundig ingenieur. Er zijn in totaal uiteindelijk 51 diercategorieën beoordeeld. Om de achtergrondinformatie te updaten en nieuwe diercategorieën toe te voegen, is er gebruikgemaakt van wetenschappelijke literatuur (voornamelijk publicaties van de WUR) en van criteria van een aantal keurmerken en labels (zoals het Beter Leven Keurmerk). Ook is er contact geweest met diverse supermarkten.

Variabelen voor dierenwelzijn bij vlees, zuivel en eieren

In 2019 werden er ook weer aanvullingen en verbeteringen ingebracht. Scores werden in overleg vastgesteld door een dierenarts, een bioloog, een ing. diermanagement en een ir. dierwetenschappen. Hieronder staan per diersoort een aantal variabelen waar de deskundigen rekening mee hebben gehouden bij hun beoordeling van dierenwelzijn.

Vleeskippen worden meestal al op zeer jonge leeftijd geslacht: de zogenoemde plofkip. Vandaar dat ze ook ‘vleeskuikens’ genoemd worden.
Variabelen waar de deskundigen in hun beoordeling rekening mee hielden, zijn onder andere: aantal kippen per m2, aanwezigheid van overdekte uitloop, vrije buitenloop, maximale koppelgrootte (groepsgrootte), ras (snel- of natuurlijk groeiend), slachtleeftijd, uitvalpercentage (percentage dode dieren in de stal), slachtmethode, periode waarin het donker is, aanwezigheid van daglicht (ramen).

Vleesvarkens groeien excessief snel en zijn in 5,5 tot 6 maanden slachtrijp. Vleesvarkens worden geproduceerd door zeugen. Deze ‘produceren’ gedurende hun leven van circa drie jaar een groot aantal biggen en worden dan ‘afgeschreven’. Bij de beoordeling van varkensvlees is rekening gehouden met zowel het dierenwelzijn van de vleesvarkens als dat van de zeugen.
Variabelen waar rekening mee is gehouden, zijn onder andere: leefruimte, daglicht, aanwezigheid van uitloop, soort vloer, ingrepen (castreren, staartjes afbranden, tandjes slijpen), pijnstilling bij ingrepen, aanwezigheid van afleidingsmateriaal en nestmateriaal, leeftijd waarop de biggen bij de moeder weggehaald worden, transport, slacht.

Vleesrunderen moeten onderscheiden worden van melkkoeien. Het meeste rundvlees in Nederland is afkomstig van uitgemolken melkkoeien.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: weidegang, leefruimte, daglicht, soort ligplek en vloer in de stallen, al dan niet aangebonden worden, ingrepen (onthoornen, castreren, keizersneden), of het kalf na geboorte bij de koe mag blijven, transport, slacht (ook halal), slachtleeftijd.

Kalveren worden meestal direct na de geboorte bij de moeder weggehaald, ook in de biologische houderij.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: weidegang, leefruimte, daglicht, soort lig plek en vloer in de stallen, hemoglobinegehalte (bloedarmoede), hoeveelheid ruwvoer per dag, ingrepen (castreren), mag het kalf na geboorte bij de koe blijven, transport, slacht (ook halal) en slachtleeftijd. Een kalf in de gangbare houderij scoort slechts een 1. Een biologisch kalf (in 2019 is er maar één biologische kalverhouder in Nederland) krijgt een 6,5.

Lammeren en schapen leven vrijwel altijd buiten, en het lam blijft bij de moeder.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: weidegang, transport, slacht (ook halal), slachtleeftijd en uitval (percentage dieren dat overlijdt).

Kalkoenen groeien net als plofkippen onnatuurlijk snel.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: aantal kalkoenen per m2, aanwezigheid overdekte uitloop, vrije buitenloop, strooisel als ondergrond, extra verrijking, ras (snelgroeiend of natuurlijk groeiend), slachtleeftijd, uitvalpercentage (percentage dode dieren in de stal), slachtmethode, periode waarin het donker is, aanwezigheid van daglicht (ramen).

Vleeseenden zien zelden of nooit water.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: aantal eenden per m2, aanwezigheid buitenloop, strooisel als ondergrond, zwemmogelijkheid, ras (snelgroeiend of natuurlijk groeiend), ingrepen als snavelbehandeling en nagelamputatie, slachtleeftijd, uitvalpercentage (percentage dode dieren in de stal), slachtmethode.

Geiten; de bokjes zijn waardeloos in economische zin en worden meestal al binnen vier weken geslacht.
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: weidegang, leefruimte, daglicht, soort ligplek, vloer en klimmogelijkheid in de stallen, ingrepen (onthoornen), mag het jonge dier na geboorte bij de moeder blijven, transport, slacht (ook halal) en slachtleeftijd.

Konijnen
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: (groeps)huisvesting, soort bodem (bijvoorbeeld draadgaas), ruimte per konijn, plateaus en schuilgelegenheid, hoogte van de kooi, omgevingsverrijking, sterftecijfer, slachtleeftijd.

Waterbuffels
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: weidegang, staltype, ingrepen (onthoornen), mag het kalf na geboorte bij de moeder blijven, transport, slacht, slachtleeftijd.  

Legkippen
Variabelen waar rekening mee gehouden wordt, zijn onder andere: aantal kippen per m2, overdekte en/of vrije uitloop, extra beschutting, daglicht, strooisel, zitstok, legnest, vloermateriaal, maximale groepsgrootte, snavelkappen, slachtleeftijd, sterftepercentage, extra verrijking, vangstmethode, doden eendagshaantjes, slacht, transport.

Dierenwelzijn vis, schaal en schelpdieren

In 2018 en 2019 werd de DierenwelzijnsCheck uitgebreid met vis en schaal- en schelpdieren (hierna alle “vis” genoemd). Van circa 90 restaurants is geïnventariseerd welke vissoorten zij serveren. Over vissoorten die bij minimaal drie restaurants worden aangeboden, is dierenwelzijnsinformatie verzameld. Dit gaat om meer dan 60 producttypen. Er werd hiervoor een zeer groot aantal wetenschappelijke bronnen geraadpleegd, en vanzelfsprekend ook informatie van de diverse keurmerken en labels (zoals MSC en ASC) en reeds bestaande “viswijzers” uit binnen- en buitenland. Op het kantoor van Varkens in Nood liggen uitgebreide tabellen ter inzage t.b.v. degenen die de methodiek in detail willen analyseren.

Het dierenwelzijn per producttype

Het dierenwelzijn bij vis werd bepaald aan de hand van vier criteria. Deze criteria omvatten zowel het direct als indirect veroorzaakte dierenleed. Bij het houden, vangen en doden wordt het welzijn van de doelvis direct aangetast. Maar er is ook indirect dierenleed. De vangst van de doelvis kan namelijk gepaard gegaan met stress, verwondingen en sterfte bij bijvangstdieren en bodemdieren, schade veroorzaken aan de leefomgeving van verschillende diersoorten, en zorgen voor de achteruitgang van visbestanden.

Criteria en factoren vissenwelzijn

  1. Leefomstandigheden: dichtheid, waterkwaliteit, gezondheid & gedrag
  2. Vangen: vangstmethode, transport & bewaring van levende dieren
  3. Doden: dodingsmethode
  4. Impact soort en leefomgeving: herkomst voer, impact leefomgeving, bijvangst, bodemschade, visstand

Ieder criterium bestaat uit verschillende factoren. Een bioloog, dierkundig ingenieur en dierwetenschapper hebben aan de hand van de beschikbare informatie per factor een beoordeling van het dierenwelzijn gegeven (goed, redelijk, onvoldoende, slecht of heel slecht).
Noot: w
ilde vis krijgt voor leefomstandigheden altijd een score 8. Er wordt van uitgegaan dat wilde vis een goed en natuurlijk leven heeft gehad. Wilde vis krijgt echter geen score 10 omdat ook een vis die in zee gevangen wordt met stress te maken krijgt, en bovendien regelmatig al op jonge leeftijd wordt gevangen.

Beoordeling

Score

Goed

8

Redelijk

6

Onvoldoende         

5

Slecht

3

Heel slecht

1


De beoordeling aan de hand van de vier criteria en de elf daaraan gekoppelde factoren resulteert in een totaalscore voor dierenwelzijn.

De volledige systematiek, waarin dierenwelzijnsinformatie wordt verzameld en gekoppeld aan scores, ligt ter inzage op ons kantoor.

Toelichting vissenwelzijn

Hieronder worden per criterium de verschillende factoren toegelicht.

Criteria 1. Leefomstandigheden

Factor A. Dichtheid

Geeft aan in hoeverre de bezetting stressgerelateerd gedrag en/of ziektes veroorzaakt. Hierbij wordt rekening gehouden met de soort vis.

Factor B. Waterkwaliteit

Geeft aan in hoeverre de waterkwaliteit problemen als ziektes en ongemak veroorzaakt. Hierbij wordt rekening gehouden met de soort vis.

Factor C. Gezondheid en gedrag

Geeft aan in hoeverre er ruimte is voor natuurlijk gedrag, zoals sociale verbanden, schuilen of voedsel zoeken (op de bodem), alsook of er sprake is van ziektes, hoge sterfte en stressgerelateerd gedrag. Ook dit wordt bepaald met inachtneming van de soort vis.

Criteria 2. Vangst

Factor A. Vangstmethode (wild)

Dit betreft de manier waarop de vis gevangen wordt en de impact die dit heeft op de vis zelf. Er is hier gekeken naar de duur (hoe lang lijden de vissen onder het vangen) en de ernst (hoeveel verwondingen, stress en sterfte ontstaat er). Op kantoor kan een overzicht en beoordeling van de verschillende vangstmethoden ingekeken worden.

Factor B. Transport- en bewaring (kweek en wild)

We kijken hier naar de behandeling van de vis vanaf het vangen tot aan de verwerking (de duur en de ernst van het dierenleed). De behandeling van vis verschilt vaak per kwekerij of schip.

Criteria 3. Doden

Factor A. Dodingsmethode (kweek en wild)

We kijken hier naar de manier waarop dieren gedood worden en in hoeverre ze daarbij lijden. Vis kan verdoofd (elektrisch, CO2 of kopslag) en/of onverdoofd (stikken, bevriezen, levend koken) worden geslacht. Op kantoor ligt een uitgebreid overzicht met een beoordeling van de verschillende dodingsmethoden.

Criteria 4. Impact soort en leefomgeving

Factor A. Herkomst voer (kweek)

Het gaat hierbij om de duurzaamheid van het visvoer. Veel kweekvissen worden namelijk gevoerd met vismeel. In sommige gevallen komt dat erop neer dat twee tot drie wilde vissen één kweekvis opleveren. De productie van dit voer heeft een grote impact op het leven in het water en ook hier spelen vangst- en dodingsmethoden een rol.

Factor B. Impact leefomgeving (kweek)

Het kweken van vis kan gepaard gaan met vervuiling van de zee, en daarmee een negatieve impact hebben op de leefomgeving van vele diersoorten. Bijvoorbeeld wanneer de vis in kooien op zee gehouden wordt en er antibiotica en pesticiden worden gebruikt. Of wanneer verontreinigd water van kwekerijen op land, in de omgeving wordt geloosd en daar grote impact heeft op de flora en fauna. Daarnaast is er soms sprake van ontsnappingsgevaar – ontsnapte gekweekte vissen kunnen ziektes verspreiden en zorgen voor genetische achteruitgang van de wilde soort.

Factor C. Bijvangst (wild)

De vraag is of de gebruikte vangstmethode gepaard gaat met bijvangst en/of het gebruik van levend aas. Er wordt gekeken naar de overlevingskans van de bijvangst en/of naar de kans dat er bijzondere of beschermde diersoorten worden bijgevangen, zoals albatrossen, dolfijnen, haaien, schildpadden en bruinvissen. Bij sommige vangstmethoden is de bijvangst afhankelijk van de doelsoort. Bij het vangen van tonijn met ringzegens is er veel bijvangst omdat tonijnen samen zwemmen met andere soorten. Bij sardines is de bijvangst veel minder omdat deze in scholen zwemmen en er gericht gevangen wordt. Op kantoor ligt een uitgebreid overzicht met een beoordeling van de verschillende vangstmethoden.

Factor D. Bodemschade (wild)

Er wordt bepaald in welke mate een vangstmethode schadelijk is voor het leven op de zeebodem en het verdwijnen van koraal (de kraamkamer van de zee).

Factor E. Visstand (wild)

Dit betreft de mate waarin de visstand van de soort met uitsterven wordt bedreigd. Wanneer de vangstgebieden verspreid zijn over een groter gebied, gaat het om het algemene beeld van de visstand. Er wordt onder andere gebruikgemaakt van de informatie van Goedevis.nl, Zeevruchtengids en IUCN.

Weging

De totaalscore per criterium is het gemiddelde van de verschillende factoren. Iedere factor weegt dus even zwaar. De weging van de criteria verschilt: de criteria Leefomstandigheden en Impact soort en leefomgeving wegen dubbel zo zwaar als de criteria Vangen en Doden. De eerste twee wegen zwaarder vanwege de langere duur (het leven van een vis duurt langer dan het vangen en doden) en vanwege de grote impact van deze criteria (herstel van bodem en vissoort kan soms jaren duren). De gehele systematiek is op kantoor in te zien.

Criteria

Wegingsfactor

Leefomstandigheden

2/6

Vangen

1/6

Doden

1/6

Impact soort en leefomgeving          

2/6


Vangst- en dodingsmethodes

Bij wilde vis wordt onderscheid gemaakt tussen onder andere de vangstmethoden: Bodemsleepnet, Bodemsleepnet MSC, Bodemsleepnet met selectiepaneel, Boomkor, Boomkor MSC, Dreggen, Dreggen MSC, Flyshooter, Fuiken/korven, Garnalenkor MSC, Handlijn/hengel, Handrapen, Kieuwnetten, Longline, Onbekend, Pantrawl, Pulskor, Ringzegen met lokvlotten, Ringzegen, Ringzegen zonder lokvlotten, Sleepnet, Spantrawl, Ringzegen MSC, Twinrig kleine mazen, Twinrig grotere mazen, Zwevend sleepnet, Mosselkor en Oesterkor.

Een voorbeeld is de Spantrawl. Deze krijgt een 1 omdat er veel sterfte is door verdrukking (verstikken, falen bloedsomloop), omdat er sprake is van uitputting en angst, omdat het stervensproces vele uren kan duren, en omdat er behoorlijk veel bijvangst is, waaronder met name veel dolfijnen. Maar er is geen bodemschade want het net zweeft over de bodem.

Bij iedere producttype vis staat een uitgebreide toelichting. Zo staat er bij de tonijnsoort Skipjack:

-        Skipjack is de meest gevangen tonijn en wordt voornamelijk gevangen met ringzegen of longline.

-        De ringzegen veroorzaakt verdrukking en angst door het omringen, maar geen uitputting zoals het trawlnet. Vissen die vastzitten, kunnen worden aangevallen door roofdieren. Het samentrekken van het net veroorzaakt veel verwondingen. De vis wordt omhooggehaald met kleinere netten, of het ringnet wordt in z'n geheel omhoog gesleept. Het vangen duurt minstens 2 uur.

-        Tonijn wordt regelmatig gelokt met vlotten, waar ze graag onder zwemmen. Vervolgens worden ze gevangen met de ringzegen.

-        Longline bestaat uit lange lijnen met haken en aas die in zee drijven. De haken doorboren de vissen en veroorzaken ernstige verwondingen, stress en pijn. Het duurt uren tot soms zelfs dagen voordat de vissen aan de haken omhoog worden gehaald. Vissen die gewond zijn, trekken roofdieren aan, die ook weer vast komen te zitten.

-        Wanneer een vis aan boord is gehaald, sterft deze aan de gevolgen van zuurstoftekort en/of verwondingen door het levend fileren.

-        Afhankelijk van de soort vis duurt het 1 tot 4 uur voordat deze na aanlanden niet meer reageert op prikkels. Ook als een vis levend gefileerd wordt, kan deze nog 25 tot 65 minuten leven.

-        Kleinere tonijnsoorten als de skipjack zullen na aanlanden worden gekoeld in ijswater. Dit veroorzaakt veel stress door de temperatuurschok, en maakt dat het nog langer duurt voor de vis sterft.

-        Het skipjacktonijnbestand is over het algemeen gezond, al is de vangst de laatste jaren wel toegenomen. De bijvangst is heel groot omdat tonijnen ook met andere vissoorten in scholen zwemmen. Tijdens de vangst worden hierdoor ook bedreigde vissoorten gevangen, zoals de grootoogtonijn en haaien.

-    De longlinemethode staat bekend om de bijvangst van allerlei bedreigde diersoorten, zoals albatrossen, stormvogels, schilpadden, roggen en haaien.

Bij de berekening van het welzijn van vissen, schaal- en schelpdieren werd rekening gehouden met de manier waarop de dieren gedood worden, met inachtneming van de soort. Manieren van doden zijn onder andere: elektrisch verdoven (en dan verwerken), kopslag, CO2 gas, levend strippen, levend koken, levend bakken, levend verwerken, laten stikken, onthoofden.

Overzicht vissenwelzijn

In onderstaand overzicht staat de berekening van het dierenwelzijn van vissen, schaaldieren en schelpdieren. De berekening van de Garnaal, Witpoot (als voorbeeld) is als volgt: (2x (3,0 + 1,0) +(3,0 +2,0)):6 = 2,2

KWEEK/ WILD

SOORT

KEURMERK

LABELS

EINDSCORE  

Leefomstandigheden  

Vangen  

Doden  

Impact soort en leefomgeving

Kweek

Garnaal, Witpoot

 

 

2,2

3,0

3,0

2,0

1,0

Kweek

Garnaal, Gamba

 

 

2,2

3,0

3,0

2,0

1,0

Kweek

Zeebaars

 

 

2,8

4,0

3,0

2,0

2,0

Kweek

Zalm

 

 

3,1

2,3

3,0

5,0

3,0

Kweek

Pangasius

 

 

3,2

3,0

3,0

1,0

4,5

Kweek

Dorade/Zeebrasem

 

 

3,2

5,0

3,0

2,0

2,0

Kweek

Paling

 

 

3,2

2,3

2,5

7,0

2,6

Wild

Tarbot

 

 

3,3

8,0

1,0

1,0

1,0

Wild

Rog

 

 

3,5

8,0

1,0

2,0

1,0

Wild

Zeeduivel

 

 

3,6

8,0

1,0

1,0

1,7

Wild

Rode mul (zeebarbeel)

 

 

3,6

8,0

1,5

1,0

1,7

Wild

Zeebaars

 

 

3,8

8,0

1,5

1,0

2,0

Wild

Tong

 

 

3,8

8,0

1,0

1,0

2,3

Wild

Heilbot

 

 

3,9

8,0

1,5

1,0

2,3

Wild

Roodbaars

 

 

3,9

8,0

1,5

1,0

2,3

Wild

Zeewolf

 

 

3,9

8,0

1,5

1,0

2,3

Wild

Octopus

 

 

3,9

8,0

1,5

1,0

2,3

Wild

Schol

 

 

3,9

8,0

1,0

1,0

2,7

Wild

Langoustine (Noorse kreeft)

 

 

4,0

8,0

1,5

2,0

2,3

Wild

Scheermessen

 

 

4,1

8,0

4,0

1,0

1,7

Wild

Rode poon

 

 

4,1

8,0

2,0

1,0

2,7

Wild

Kabeljauw

 

 

4,2

8,0

1,5

1,0

3,3

Kweek

Forel (regenboog)

 

 

4,2

4,7

5,0

7,0

2,0

Wild

Kokkels

 

 

4,4

8,0

4,5

1,0

2,3

Wild

Tonijn, Geelvin

   

4,4

8,0

1,5

1,0

4,0

Wild

Garnaal, Roze

 

 

4,4

8,0

4,0

2,0

2,3

Wild

Sepia/ zeekat

 

 

4,5

8,0

2,0

1,0

4,0

Wild

Makreel

 

 

4,6

8,0

2,0

1,0

4,3

Wild

Heilbot

MSC

 

4,6

8,0

2,0

1,0

4,3

Wild

Zalm, Pacific

MSC

 

4,6

8,0

2,0

1,0

4,3

Wild

Zwaardvis

 

 

4,7

8,0

1,0

3,0

4,0

Wild

Riddervis

 

 

4,7

8,0

1,5

2,0

4,3

Wild

Spiering

 

 

4,7

8,0

1,5

2,0

4,3

Kweek

Kaviaar

 

 

4,7

4,7

6,0

5,0

4,0

Wild

Tonijn, Skipjack

 

 

4,8

8,0

1,5

1,0

5,0

Wild

Sprot

 

 

4,8

8,0

1,5

1,0

5,0

Semi-wild

Rivierkreeft

 

 

4,8

6,0

3,5

2,0

5,7

Wild

Haring

 

 

4,9

8,0

1,5

1,0

5,3

Wild

Venusschelp (vongole)

 

 

4,9

8,0

4,5

4,0

2,3

Wild

Sardine (Peruaanse ansjovis)

 

 

4,9

8,0

2,0

1,0

5,3

Wild

Harder (bottarga)

 

 

5,0

8,0

1,5

2,0

5,3

Wild

Steurgarnaal, Noorse

 

 

5,1

8,0

4,0

2,0

4,3

Kweek

Zalm

ASC

 

5,2

5,0

3,0

5,0

6,5

Wild

Schelvis

MSC

 

5,2

8,0

2,0

1,0

6,0

Wild

Kabeljauw

MSC

 

5,2

8,0

2,0

1,0

6,0

Wild

Schol

MSC

 

5,2

8,0

2,0

1,0

6,0

Wild

Garnaal, Hollandse

MSC

 

5,2

8,0

4,5

2,0

4,3

Kweek

Meerval

 

 

5,2

1,7

6,0

7,0

7,5

Wild

Tonijn, Albacore

MSC

 

5,3

8,0

2,0

1,0

6,3

Wild

Krab, Noordzee

 

 

5,4

8,0

2,5

1,0

6,3

Wild

Spinkrab

 

 

5,5

8,0

2,5

2,0

6,3

Wild

Tonijn, Albacore

 

Hengel gevangen

5,6

8,0

3,0

1,0

6,7

Wild

Kreeft

 

 

5,6

8,0

2,5

2,0

6,7

Wild

Krab, Sneeuw

 

 

5,6

8,0

2,5

2,0

6,7

Wild

Kreeft, Mary's Bay

 

 

5,6

8,0

2,5

2,0

6,7

Wild

Krab, King

 

 

5,7

8,0

2,5

1,0

7,3

Semi-wild

Oesters

MSC

 

5,7

6,7

5,5

4,0

5,7

Wild

Tonijn, Geelvin

 

Hengel gevangen

5,7

8,0

3,0

2,0

6,7

Semi-wild

Mosselen

MSC

 

5,9

6,7

5,5

4,0

6,3

Wild

Coquilles

MSC

 

5,9

8,0

5,0

4,0

5,3

Wild

Wulk

 

 

6,1

8,0

5,0

4,0

5,7

Wild

Alikruik (kieuwslak)

 

 

7,0

8,0

6,5

4,0

7,7


Het dierenwelzijn per producttype in restaurants

Restaurants geven vaak geen of beperkte achtergrondinformatie over de vis die zij serveren. Om tot een welzijnsscore te komen, is sommige informatie van groot belang. Bijvoorbeeld of het om wilde vis of kweekvis gaat en hoe deze is gevangen en/of gedood. Als er sprake was van gebrek aan informatie op de menukaart, moesten er aannames gemaakt worden. Als er bijvoorbeeld zalm op de menukaart staat, is vaak onduidelijk wat voor zalm dit precies is. Dit en andere ontbrekende of onduidelijke informatie werd nagevraagd bij de horecagelegenheden. Was er ook dan geen duidelijkheid, bijvoorbeeld omdat er geen informatie werd verstrekt, dan werd uitgegaan van de meest waarschijnlijke optie. Veruit de meeste zalm wordt gekweekt in Noorwegen. Van de zalm op de menukaart wordt in zo’n geval dan ook aangenomen dat het gaat om: “Zalm, kweek, Noorwegen”.

Bij het vaststellen van de producttypes werd onderstaand stappenplan gebruikt. Hierbij werd onder meer gebruik gemaakt van websites van visgroothandels en horecaleveranciers, de Vis- en zeevruchtengids, Goedevis.nl, experts, wetenschappelijke literatuur. 

  • Benadering wild of kweek en herkomst

Er zijn producttypes die zowel gekweekt als wild kunnen zijn. Is daar geen duidelijkheid over, dan wordt gekozen voor de optie die het meest waarschijnlijk is.

Voorbeeld: Tweederde van de kreeft is Noord-Amerikaanse kreeft. Deze wordt in Canada in het wild gevangen. Bij geen informatie gaan we hier daarom vanuit.

Nadat bepaald is of het om wilde vis of kweekvis gaat, dient de herkomst van de vis vastgesteld te worden. Gaat het om gekweekte vis, dan wordt uitgezocht in welk land de vis het meest gekweekt wordt. Gaat het om wilde vis, dan wordt bepaald wat het belangrijkste vangstgebied is. Het vangstgebied is vaak heel variabel. In dat geval wordt het algemene beeld van de verschillende vangstgebieden in aanmerking genomen.

Gamba’s worden meestal gekweekt in Aziatische kwekerijen, voornamelijk in China. We gaan er daarom vanuit dat gamba’s uit China komen (tenzij anders vermeld).

  • Restaurants communiceren vaak niet over de vangstmethode (en verdere behandeling) van de vis die zij serveren. Is de vangstmethode onduidelijk, dan wordt uitgegaan van de meest voorkomende vangstmethode. Wanneer meerdere methoden even vaak voorkomen, nemen we het gemiddelde cijfer van deze vangstmethoden.Vangstmethode

Noord-Amerikaanse kreeften worden het meest gevangen met korven. Uitgangspunt is daarom dat de kreeft gevangen is met een korf. 

Heilbot wordt vaak gevangen met bodemsleepnet of longline . De gemiddelde dierenwelzijnsscore is daarom het gemiddelde van deze twee vangmethoden. 

  • Dodingsmethode

Als de dodingsmethode niet bekend is (vaak weten restaurants dit niet) dan wordt uitgegaan van de meest voorkomende dodingsmethode bij de betreffende vissoort. Er wordt daarbij zo veel mogelijk rekening gehouden met verschillen per land of kwekerij.

  • Keurmerk

Indien het restaurant vermeldt dat een vis een MSC-keurmerk (voor wilde vis) of ASC-keurmerk (voor gekweekte vis) heeft, dan wordt dit meegewogen in de beoordeling. Hoewel dierenwelzijn bij deze keurmerken geen prominente rol speelt, hebben een aantal eisen die ze stellen wel (indirect) een positief effect op het welzijn van de vis. MSC kan bijvoorbeeld eisen stellen aan de snelheid waarmee een boot vaart – waardoor bodemdieren minder beschadigd raken. Indien er geen keurmerk vermeld wordt op de menukaart, wordt de vis beoordeeld als “niet gecertificeerd”. Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld schelvis en oesters, waarvan we weten dat ze bijna altijd een MSC-keurmerk hebben. Hier gaan we dan ook van uit.


De beoordeling van restaurants

Voor het invoeren van de scores worden vaste regels aangehouden, zodat elk restaurant op dezelfde manier wordt beoordeeld. Om een vaste methodiek te hebben, moeten er soms knopen doorgehakt worden die enigszins arbitrair zijn (best practices) maar die altijd tot doel hebben objectief, methodisch en transparant te kunnen oordelen.

Restauranteigenaren kunnen de beoordeling van de menukaart van hun restaurant opvragen. Het op de website plaatsen van grote aantallen, zeer gedetailleerde beoordelingen van alle restaurants is ondoenlijk.

Bij ieder oordeel staat een datum. Het kan zijn dat een beoordeling door verandering van de menukaart verouderd is. De exploitant kan hierover reclameren en veranderingen doorgeven. Het is zowel in het belang van de exploitant als van de DierenwelzijnsCheck dat verbeteringen zichtbaar worden.

In de nabije toekomst zal aan exploitanten, medewerkers en zelfs klanten de mogelijkheid geboden worden om menukaarten op de website van de DierenwelzijnsCheck in te voeren en ter beoordeling voor te leggen.

Definities

Categorie: ontbijt, lunch, voorgerecht, hoofdgerecht, dessert, borrel, kindermaaltijd
Soort: vlees, vis, veganistisch, vegetarisch
Soorttype:
- bijvoorbeeld bij vlees: kip, varken, rund
- bijvoorbeeld bij vis: vis, schelpdieren, schaaldieren
Producttype:
- bijvoorbeeld bij kip: Kip, BLK1 (Beter Leven Keurmerk 1 ster); Kip, scharrel
- bijvoorbeeld bij schelpdieren: Alikruik; Coquille MSC; Garnaal, Hollandse
Gerecht: deze zijn afkomstig van de menukaarten

Plantaardige gerechten krijgen de maximale score (10) omdat er geen sprake is van aantasting van dierenwelzijn. Een gerecht waarbij vlees centraal staat, krijgt een beoordeling van de dierlijke ingrediënten. Dus een kipschnitzel met frites wordt beoordeeld aan de hand van het welzijn van de kip.

Hoofdgerechten wegen in de totaalscore van een restaurant zwaarder mee dan voorgerechten, en voorgerechten wegen weer zwaarder dan borrelhappen. Bijgerechten tellen niet mee . De score van een restaurant bestaat uit het gewogen gemiddelde van de dierenwelzijnsscores van alle gerechten. Ieder restaurant krijgt dus één totaalscore. Een volledig veganistisch restaurant krijgt een tien. Een restaurant met uitsluitend spareribs een twee (dierenwelzijnsscore van varken, gangbaar).

Indien er sprake is van meerdere dierlijke bestanddelen in een gerecht, dan moeten aan ieder van deze verschillende producttypes een score worden toegekend. Bij een caesar salade met kip, ansjovis, Parmezaanse kaas en een gekookt ei krijgen deze ingrediënten ieder een score, en tellen ze pro rato hun aandeel (percentage) mee in de score. De score van caesarsalade bestaat dan uit de score voor kip (25%), voor ansjovis (25%), voor Parmezaanse kaas (25%) en voor ei (25%).

Dierlijke ingrediënten tellen alleen mee mits ze meer dan 10% van het totale gerecht vormen. Ondergeschikte producten (toevoegingen) die geen essentieel onderdeel van het gerecht zijn, zoals boter, saus, mayo, olie en kruiden blijven buiten de berekening. Hetzelfde geldt voor bijgerechten als groente, frites en sla. Bij vegetarische gerechten tellen dierlijke producten wél mee omdat dit het verschil maakt tussen een vegetarisch en een veganistisch gerecht. Indien er in een vegetarisch gerecht een kleine hoeveelheid ei, boter of mayo is verwerkt, dan wordt dit afgerond naar 5%. Die producttypen tellen dan met hun score voor 5% mee in het gerecht.

Dagschotels en huissoep

Veel restaurants hebben dagschotels waarvan de inhoud varieert. Restaurants wordt verzocht hier informatie over te verstrekken. Indien de gerechten niet veel van elkaar afwijken, wordt er een gemiddelde score gebruikt. Is er te weinig bekend over de (vaste of terugkerende) ingrediënten dan staat er in plaats van een score: “niet beoordeeld”.

Rundvlees

In Nederland is het grootste aandeel rundvlees afkomstig van uitgemolken melkkoeien. Zo wordt er voor veel gemalen of verwerkte rundvleesproducten vlees van melkkoeien gebruikt. Alleen duurdere rundvleesproducten, zoals biefstuk en ribeye, zijn vaak afkomstig van vleesrunderen. Tenzij anders op de menukaart vermeld, worden de volgende producttypes aangehouden:

  • Rundvleeskroket: melkkoe
  • Holtkamp bitterballen: kalfsvlees
  • Hamburgers: melkkoe
  • Gehakt: melkkoe
  • Sudderlappen: melkkoe
  • Tartaar: melkkoe
  • Gehaktballen: melkkoe
  • Biefstuk, entrecote en ribeye: vleesrund


Vlees overig

Bij bepaalde (traditionele) gerechten wordt niet vermeld dat er vlees in zit. Zo zit er in een traditionele Surinaamse aardappelsalade altijd kip.

Vis

Als er geen expliciete vermelding van het ASC- of MSC-keurmerk is, dan wordt de vis beoordeeld als ‘niet gecertificeerd’.

Wanneer de specifieke vissoort niet vermeld staat, wordt er uitgegaan van het meest waarschijnlijke producttype. Hieronder een aantal voorbeelden.

  • Tonijn in salades of broodjes: Tonijn, Skipjack-

  • Tonijn in andere gerechten, bijvoorbeeld steak, sushi: Tonijn, Geelvin-

  • Garnaal: Garnaal, Gamba of Garnaal, Witpoot-

  • Lijngevangen Tonijn: Tonijn, Albacore-

  • Black tiger: Garnaal, Gamba

  • Zalm: Zalm, Noorwegen (zalm zonder vermelding komt bijna altijd uit Noorwegen)

  • Schelvis: Schelvis, MSC (Schelvis is bijna altijd MSC-gecertificeerd)

  • Bij vissoep, viskoekjes: Pangasius

  • Holtkamp garnalenkroketten: Garnaal, Hollandse


Zuivel

Tenzij anders vermeld, is zuivel afkomstig van een reguliere melkkoe en niet van een koe met weidegang of een biologische koe. Mozzarella wordt gemaakt van buffelmelk en komt vrijwel altijd uit Italië. Bij niet-gespecificeerde kaasplankjes wordt uitgegaan van 50% zuivel van de koe en 50% zuivel van de geit. Cheddar op een burger, of Parmezaanse kaas bij een pasta tellen voor 10% mee.

Eieren

Staat er “ei” of is bekend dat een product veel ei bevat (tiramisu, pannenkoeken) dan gaat het vaak om kooi-ei. Het is bekend dat restaurants vanwege de lage kosten vooral kooi-eieren gebruiken. Tenzij er nadrukkelijk gesteld wordt dat er gebruik wordt gemaakt van scharrel-, vrije-uitloop- of biologische eieren, gaan we ervan uit dat er kooi-eieren worden gebruikt.

Hieronder een aantal uitwerkingen:

  • Eieren van Lindenhoff/Freiland: Ei, BLK2

  • Pasta bevat 5% ei

  • Vegetarische loempia’s bevatten 5% ei

  • Baba ganoush bevat 5% ei

  • Als op de menukaart staat dat een gerecht vegetarisch is, zonder dat de ingrediënten duidelijk vermeld worden, dan wordt standaard gerekend met 5% ei

  • Als bij een (vegetarisch) gerecht een gekookt/gebakken/gepocheerd ei zit, dan telt dit voor 20% mee

  • Als er eidooier of ei in het beslag van de taart of in mayo is verwerkt, dan telt dit voor 10% mee (zie verder hiervoor het hoofdstuk “Desserts en taart”)


Vegetarisch

  • Een vegaburger bevat 5% ei

  • Als onbekend is waar een vegetarisch product uit bestaat, wordt 95% plantaardig en 5% ei aangehouden

  • Als er wordt opgegeven dat een gerecht veganistisch is, dan geldt dit als 100% plantaardig

  • De bitterballen van de Vegetarische slager zijn veganistisch

  • Valess: bevat een grote hoeveelheid melk: melk 80% en plantaardig 20%

Plankjes
Bij borrelplankjes met vlees, vis en vegetarisch worden gelijke percentages aangehouden .
Bij kaasplankjes gaan we uit van 50% zuivel koe en 50% zuivel geit.
Bittergarnituur bestaat vaak uit de losse borrelhapjes van de borrelkaart; de onderdelen worden in gelijke porties berekend.

Diverse voorbeelden

Hieronder staan enkele voorbeelden van veelvoorkomende gerechten en de regels die gehanteerd worden bij het toekennen van scores.

  • Broodje ham; 100% varken. Vergeet brood en boter, het gaat om het hoofdbestanddeel.

  • Tosti ham/kaas: 50% zuivel koe/ 50% varken

  • Croque Madam: 40% varken/ 40% zuivel koe/ 20% ei

  • Gebakken ei/roerei met ham en kaas: 50% ei/ 25% varken/ 25% zuivel koe

  • Gebakken ei/roerei met alleen kaas, ham of zalm: 50% ei/ 50% zalm

  • Twee vrije-uitloopeieren met bacon, appelcider hollandaise & groene scheuten: 70% ei/ 30% varken

  • Thaise soep met kip (Tom Ka Kai): 60% plantaardig, 40% kip

  • Gele curry met scharrelkip, citroengras, pickle, pinda en kokosrijst: Plant 50% Scharrelkip 50%

  • Gegrilde gamba's met wakame, winterradijs, ponzu, sesam en shiso-cress: garnalen: gamba 100%

  • Carpaccio met soja, limoen, radijs, sesam en wasabi: rund 100%

  • Carpaccio met pesto, pijnboompitten, sla en Parmezaan: rund 100%

  • Tartaar met eidooier: 90% melkkoe/ 10% ei

  • Burger met kaas en bacon: 60% rund/ 10% zuivel/ 30% varken

  • Gepocheerd of gebakken ei als supplement: 20% ei

  • Pasta met paddenstoelen en Parmezaan: plant 90%/ zuivel koe 10%

  • Risotto met Parmezaan: 20% zuivel (Parmezaan + room)

  • Pasta’s, salades of bowls met vis of vlees bevatten ook vaak veel groente. Er wordt dan 50%vlees/50%plant gerekend

  • Caesarsalade: 25% ansjovis/ 25% kip/ 25% ei/ 25% zuivel (In het geval dat er ansjovis, kip, ei en Parmezaan in zit. Anders de ingrediënten gelijk verdelen)

  • Als er twee soorten vlees of vis in het gerecht voorkomen, kies je 70% voor het hoofdbestanddeel en 30% voor het bijproduct. Bijvoorbeeld zalm met garnalen: Zalm 70%/ Garnalen 30%

  • Vitello Tonnato is 70% kalf en 30% tonijn

  • Arancini (risottoballetjes): 50% plant/ 50% zuivel koe

  • Gefrituurde banaan: 80% Plant/ 10% ei / 10% Zuivel

  • Dessert van fruit met een bol ijs: 50% plant/ 50% zuivel

Desserts en taart

Op de menukaarten van restaurants keren vaak dezelfde desserts en taarten terug. Die staan hieronder vermeld. De recepten van toetjes buiten deze lijst worden opgevraagd bij het restaurant of opgezocht op internet.

  • Bonbons: zuivel 80%/ plant 20%

  • Steamed buns: 10% zuivel.

  • Pavlova en meringue: ei 80%/ plant 20%

  • IJs: zuivel 90%/ plant 10%, tenzij het sorbetijs is, dat regelmatig veganistisch is

  • Appeltaart: plant 50%/ zuivel 40%/ ei 10%

  • Brownie: zuivel 60%/ ei 10%/ plant 30%

  • Tiramisu: zuivel 40%/ ei 40%/ plant 20%

  • Cheese cake: zuivel 60% / ei 20% / plant 20%

  • Bananen roomtaart: zuivel 90% / plant 10%

  • Crème brûlée: ei 40%/ zuivel 40% / plant 20%

  • Chocolade terrine: zuivel 35% / ei 35% / plant 30%

  • Chocolade truffels: zuivel 80%/ plant 20%

  • Croissant: plant 80%/ zuivel 20%

  • Pannenkoek: zuivel 40%/ ei 10%/ plant 50%

  • Gebakken banaan: plant 80%/ ei 10%/ zuivel 10%

  • Friandises: zuivel 20%/ ei 20%/ plant 60%


Bijlage Toelichting methodologie Dwindex

De procedure achter Dwindex was als volgt:

Dr. Francien de Jonge (o.a. onderzoeker bij de UU, VU en WUR) was aangezocht als projectleider. Voor Dwindex vervulde zij deze functie als zelfstandig onderzoekster. Door haar werden 26 deskundigen op het gebied van dierenwelzijn benaderd. Bij de selectie van deze deskundigen werden de volgende criteria gehanteerd:

  • Personen dienen bij voorkeur gepromoveerd te zijn op een gebied dat relevant is voor dierenwelzijnsbeoordeling
  • Personen moeten professioneel betrokken zijn (of zijn geweest) bij wetenschappelijk onderzoek naar dierenwelzijn en
  • Personen moeten in het kader van dit onderzoek naar dierenwelzijn als auteur of als co-auteur hebben gepubliceerd in internationale peer-reviewed wetenschappelijke tijdschriften.

Van de 26 benaderde deskundigen reageerden er 20 positief. Ten slotte hebben 15 deskundigen aan het onderzoek meegewerkt. Voorafgaand aan het onderzoek werd de 15 betrokken deskundigen gevraagd tabellen van dr. Marc Bracke (Animal Science Group WUR) te bestuderen waarin de 17 essentiële gedragsbehoeften en fysiologische behoeften van het dier vermeld worden.

In overleg met dr. De Jonge werd vervolgens de website Dwindex ontwikkeld. In Dwindex worden de deskundigen via een aantal stappen door de website geleid, om uiteindelijk tot hun eindconclusies te komen.

Bij de eerste stap wordt gevraagd om verschillende categorieën per diersoort te ordenen van ‘beste dierenwelzijn’ naar ‘slechtste dierenwelzijn’. Een diersoort is bijvoorbeeld het varken. Categorieën zijn: gangbaar, milieukeur, biologisch, één en twee Beter Leven sterren.

Bij de tweede stap wordt gevraagd een rangorde aan het dierenwelzijn toe te kennen tussen de diersoorten. Dus tussen koe, kip, kalf etc.

Bij de derde stap tenslotte, wordt gevraagd de productiedieren in 5 welzijnsklassen in te delen, waarbij score 5 het beste en score 1 het slechtste welzijn heeft.

Tijdens het onderzoek hadden de deskundigen beschikking over achtergrondinformatie van de 41 verschillende diercategorieën. Deze achtergrondinformatie werd samengesteld door een dierkundig ingenieur, destijds werkzaam voor Varkens in Nood, en geverifieerd door de Dierenbescherming en dr. De Jonge. De scores voor dierenwelzijn werden door dr. De Jonge geordend van 1 tot 10. Bij een gelijke ‘integer score’ werd de diercategorie met de hoogste niet afgeronde score bovenaan geplaatst. De hoogste score was er voor de wilde haas, het vleesrund uit Nederlands natuurgebied en het biologische schaap. Deze diersoorten scoorden een 9,5. Omdat bij dierenwelzijn de eindscore bestaat uit hele getallen, moest er gekozen worden om wilde haas af te ronden op een 10 of een 9. Een 10 is gereserveerd voor een product zonder enig verlies aan dierenwelzijn (veganistisch product). Door de organisatie is daarom gekozen voor een 9 omdat er, door de jacht en het doden, sprake is van een zekere mate van welzijnsverlies. Het volledige rapport Kiezen voor dierenwelzijn II met alle resultaten, opgesteld door dr. Francien de Jonge, is hier te vinden.